Spoorwegovergang HR 20-04-1971, NJ 1972, 82

HOGE RAAD 20-04-1971  SPOORWEGOVERGANG            36 WVW

Casus: Bij een spoorwegovergang knalt een auto op een andere. Deze auto komt op de spoorrails te staan. De bestuurder springt uit de auto maar blijft op de rails staan om zijn vrouw en kind te helpen redden en wordt geraakt door de trein en verliest zijn arm. Hij stelt de veroorzaker aansprakelijk.

Het verweer richt zich op het feit dat de man niet logisch heeft gehandeld. Hij had kunnen terugrijden of doorrijden etc.

De Hoge Raad oordeelt dat de paniek van de bestuurder, redelijkerwijs was te voorzien als gevolg van

de ‘schrikwekkende positie’ waarin hij was terechtgekomen.

De veroorzaker creëerde een gevaarlijke situatie en is zodoende ook verantwoordelijk voor paniekreacties.

Uit dit arrest blijkt dus dat bij het vaststellen van de causaliteit de voorzien­baarheid een rol speelt.

De term “voorzienbaarheid” heeft echter een bezwaar aangezien de veroorzaker de reactie niet kon voorzien. Het delict is een culpoos delict.

De Hoge Raad hanteert hier nog de leer van de voorzienbaarheid.