Slagkwikpijpjes HR 18-02-1921, NJ 1921, 327

Slagkwikpijpjes HR 18-02-1921, NJ 1921, 327

Casus: verdachte (een officier) oefent veel met granaten en neemt per ongeluk twee explosieve buisjes mee naar huis. Hij doet ze in een vaasje en vergeet ze daarna. Na enkele maanden verhuist hij waarna de hospita de buisjes vindt en ze een verdieping lager legt. Deze verdieping wordt gebruikt als sportcen­trum. De eigenaar gebruikt buisje de pin van het buisje voor  zijn schuifraam. Enkele maanden later komen er twee werklui het huis uitruimen. Er volgt een ontploffing en de man zijn hand is weg. Kan dit letsel nog worden toegerekend aan de officier? Is hij op grond van art. 308 “letsel door schuld” aansprakelijk?

Hof: het causale verband is door het tijdsverloop vervaagd. Ook moet er gekeken worden naar het aantal interven­ties (4x). In deze casus is de hospita medeverantwoordelijk want zij kon van deze gevolgen weten. Hierdoor wordt de man vrijgesproken.

Hier is sprake van de causa oxima-theorie: Men is enkel aansprakelijk voor de gevolgen die rechtstreeks en onmiddellijk (zonder al te veel tijdsverlies) voortvloeien.

Letale longembolie HR 12-09-1978, NJ 1979/60

LETALE LONGEMBOLIE, HR 12-09-1978  NJ 1979/60

In dit arrest wordt de leer van de ‘redelijke toerekening’ voor het eerst gehanteerd. De leer van de voorzienbare toerekening (Spoorwegovergang arrest) wordt verlaten.

Casus: Het slachtoffer van een aanrijding wordt ernstig gewond in het ziekenhuis opgenomen waarna zij na 12 dagen uiteindelijk overlijdt aan een longembolie, die als complicatie was opgetreden bij de noodzakelijke medische ingreep om haar leven te behouden. De verdachte wordt vervolgd en veroordeeld wegens dood door schuld (art. 36 WVW, een culpoos delict)).

Rechtsvraag: is er nog voldoende causaal verband tussen de botsing en het overlijden? Volgens de arts is de patiënt overleden aan een longtrombose.

De Hoge Raad ziet de complicatie niet van zodanige aard dat de dood van het slachtoffer niet meer aan de veroorzaker van de aanrijding is toe te rekenen. De verdachte blijft dus schuldig.

In dit arrest wordt de term “voorzienbaar” vervangen door “redelijke toerekening”

  1. In de Wegenverkeerswet zijn de meeste bepalingen sterk geobjectiveerd. Causaliteit wordt dus vrij snel aangenomen.

Elektriciteitsarrest – HR 23-05-1921 – NJ1921, 564

ELECTRICITEITSARREST                                                                      310 WvSr

Casus: Een tandarts tapt meer elektriciteit af dan waarvoor hij betaalt. Hij wordt beschuldigd van diefstal, artikel 310,

Rechtsvraag: a) Is elektrische energie een goed, kan het worden weggenomen? Is het zichtbaar / tastbaar?

Hoe abstracter de delictsomschrijving, hoe meer eronder kan vallen.

In dit geval werd uiteindelijk beslist dat elektriciteit een goed is dat geheel of gedeeltelijk aan een ander toe behoort en dus ook kan worden gestolen. De Hoge Raad pas de wet toe naar de bedoeling van de wetgever. Een “goed” werd hier uitgelegd als een ‘vermogensbe­standdeel met een zelfstandig bestaan en waarde.

Aan het wegnemen daarvan besteedde de Hoge Raad geen aandacht. In deze beslissing abstraheert de rechter het woord “goed”, iets wat eigenlijk is voorbehouden aan de wetgever.

Er vindt dus een extensieve interpretatie van de delictsomschrijving plaats. Voorts doet de rechter een theologische uitspraak aangezien hij uitgaat van de bedoeling van de strafbepaling. Er komen dus meerdere interpretatiemethoden voor in dit arrest.

Uitzendburo CITO – HR 24-10-1978 – NJ 1979/52

UITZENDBURO CITO

Relevant wetsartikel: 45 Sr

In dit arrest verlaat de Hoge Raad de causale pogingsleer en gaat over tot de finale pogingsleer.

Casus: Twee overvallers bellen aan bij een uitzendbureau. Hun gelaat gedeelte­lijk bedekt, in het bezit van schietklare wapens en een lege weekendtas. Uit deze gedragingen volgt hun intenties om over te gaan op diefstal met geweld of bedreiging.

HOGE RAAD: om voorbereiding en begin van uitvoering van elkaar te scheiden moet men kijken naar de uiterlijke verschijningsvorm die geacht moet zijn te gericht op de voltooiing van het misdrijf (objectief). Het causale criterium is daarmee verlaten. Echter het objectieve element blijft overheersen.

Factor 1: de gerichtheid van de gedraging dient uit de uiterlijke verschij­ningsvorm van die gedraging te kunnen worden afgeleid (objectief)

Factor 2: deze gedraging moet zijn gericht op de voltooiing van het mis­drijf, ook wel het vereiste van ‘concrete gevaarzetting’ genoemd.

Let op: de gedragingen zijn geen uitvoeringshandelingen van het beoogde misdrijf zelf.

Tegenwoordig noemen we deze leer het Cito-criterium (kijken naar de uiterlijke verschijningsvorm), ook wel de Eindruks-theorie genoemd. Deze theorie heeft ook geleid tot het strafbaar stellen van voorbereidingshandelingen.
In deze casus was er wel sprake van een begin van uitvoering.

 

Eindhovense brandstichting – HR 19-03-1934 – NJ 1934/450

EINDHOVENSE BRANDSTICHTING HR 19-03-1934

CASUS: Het huis is al brandklaar gemaakt. Er hoeft alleen nog maar aan het touwtje getrokken te worden, maar verdachte doet dit niet omdat er inmiddels veel mensen op straat staan.

Hier wordt de causale pogingsleer gehanteerd: het causale verband tussen gedraging en strafbaar gevolg is bepalend voor het begin van uitvoering in de zin van art. 45. Dit duidt op de objectieve leer. Het prepareren van de woning wordt niet gezien als begin van uitvoering. Zodra er aan het touwtje getrokken wordt is er begin van uitvoering. De gedraging zal leiden, zonder nader ingrijpen van de dader zelf tot het misdrijf.

Tilburgse wapenhandelaar – HR 10-12-1991

TILBURGSE WAPENHANDELAAR

Casus:

Een wapenhandelaar geeft zijn dochter regelmatig een geweer mee teneinde demonstraties te geven. Hiervoor heeft zij een geleide, echter zij moet de geweren direct na de demonstratie terugbrengen. Dit doet zij niet.

Vroeger moest men kijken of de oude bepaling was terug te vinden in de bewezenverklaring en in de nieuwe bepaling. In het arrest “Tilburgse wapenhandelaar”  past de Hoge Raad zijn mening aan.

De rechter dient nu nog steeds eerst te onderzoeken of de (bewezen verklaarde) tenlastelegging onder de oude bepaling kan worden gerubriceerd. Is dat het geval, dan moet hij vervolgens aan de hand van de bewijsmiddelen kijken of ook de nieuwe strafbepaling is overtreden; hierbij is dus niet meer de tenlastelegging doorslaggevend, maar gaat het om het feit zoals het is gepleegd (kijken naar de tenlastelegging, de gedraging en de bewijsmiddelen). Is blijkens de bewijsmiddelen ook de nieuwe delictsomschrijving van toepassing, maar is deze nieuwe wet ongunstiger dan dient volgens de hoofdregel van het eerste lid van artikel 1 Sr. op de oude bepaling te worden gekwalificeerd, dus uiteindelijk toch op de grondslag van de tenlastelegging. Voor zover de strafbedrei­ging van de nieuwe wet lager is geldt art. 350 Sv: dus de nieuwe bepaling. Het geval kan zich dus voordoen dat naar de oude wet wordt gekwalificeerd terwijl de strafbedreiging van de nieuwe wet geldt.

Landbouwcrisis – HR 06-01-1936

Landbouwcrisis

Casus:
vervoer van aardappelen, niet gedekt door een geldig geleidebiljet, van de Stichting Nederlandse Akkerbouw. Na de overtreding is het vereiste van een geleidebiljet te komen vervallen. Het ging hier niet om (zoals in het Azewijnse paard) een regeling die “uit kracht en tot uitvoering der wet” was gegeven.

Volgens de Hoge Raad is er “niet gebleken van verandering van wetgeving” omtrent de straf­baarheid van een vroeger gepleegd feit. De Hoge Raad huldigt hier de beperkt materiële leer. Het gaat om de vraag of het inzicht van de wetgever verandert is m.b.t. de strafbaarheid van het feit. Dit werd hier niet aangenomen.

Azewijnse paard – HR 06-04-1915

Azewijnse paard

Casus

Een wet uit 1914 machtigt de Kroon “in geval van oorlog of oorlogsge­vaar” de uitvoer van goederen tijdelijk te verbieden. Een op grond van deze wet uitgevaardigd Koninklijk Besluit verbood de uitvoer van paarden. Desondanks trok verdachte een paard de grens over. Anderhalve maand later werd dit KB ingetrokken en er kwam een ander KB voor in de plaats die een uitzondering maakte voor paarden jonger dan twintig maanden. In cassatie wordt betoogd dat deze wijziging de verdachte ten goede moet komen.

Beslissing

De Hoge Raad ontkent verandering van wetgeving, in een geval dat van de voorgaande enigszins verschilde. Dit betekent niet dat de Hoge Raad de beperkte materiële leer aanvaardde. Volgens de Hoge raad moet de vraag of er gesproken moet worden van verandering van wetgeving bij snelle veranderingen in richtlijnen beantwoord worden aan de hand van het criterium of er verandering van opvatting of inzicht omtrent de strafbaarheid van het feit blijkt.

HR: Er is geen verandering van wetgeving. Motivatie:

* voorschrift is van tijdelijke aard.

* geen sprake van wet, maar van uitvoering.

* Geen sprake van veranderde opvatting van wetgever over feit.

Er is sprake van de onbeperkte materiële leer.

Voorts werd in dit arrest bepaald dat de locus delicti (de plaats van handeling) ook de plaats kan zijn waar het instrument zijn werking deed gelden, dus waar het paard over de grens werd getrokken.