Aalburgse Bandencentrale. HR 11-01-1980. NJ 1980, 563

Samenvatting arrest Aalburgse Bandencentrale

Onderwerp: Het bestuur van de failliete boedel

Inzake:  Bescherming derde te goeder trouw in periode tussen faillietverklaring en publicatie?

Vindplaats: Bundel blz. 27; HR 11-01-1980. NJ 1980, 563

Feiten: Maas wordt failliet verklaard op 16 juni. Het faillissement wordt pas gepubliceerd op 29 juni. Buiten medeweten van zijn curator heeft Maas op 21 juni door de Aalburgse Bandencentrale reparaties laten verrichten aan zijn vrachtauto ten koste van ruim ƒ 8.000,00. Bovendien heeft hij een oude nog openstaande rekening betaald

de curator vordert de bedragen terug. Abc beroept zich erop dat het faillissement nog niet was gepubliceerd en dat het daarom nog geen derdenwerking zou hebben

Rechtsvraag: Heeft een faillissement derdenwerking in de tijd tussen de faillietverklaring en de publicatie van het faillissementsvonnis?

HR: Voor verbintenissen van een gefailleerde, welke voortvloeiend uit door hem op of na de dag van zijn faillietverklaring gesloten overeenkomsten, is de boedel ingevolge de artt. 23 en 24 Fw niet aansprakelijk dan voor zover deze tengevolge daarvan is gebaat. Deze verbintenissen gelden in zoverre niet ten opzichte van de curator en deze kan, indien zij niettemin ten laste van de boedel zijn gekweten, het betaalde als onverschuldigd terugvorderen

Het onderdeel strekt ten betoge dat een algemeen beginsel van bescherming van derden te goeder trouw zou meebrengen dat op evenbedoelde regels een uitzondering valt te maken ten gunste van hem die, onbekend met het faillissement, met de gefailleerde heeft gecontracteerd voordat de in 14 lid 3 Fw voorziene publikatie van het faillissement heeft plaatsgevonden. Dit betoog kan niet worden aanvaard

De tekst van de artt. 23 en 24 geeft voor het maken van een uitzondering uit hoofde van een zodanig beginsel geen grond. De geschiedenis van de totstandkoming van de Fw biedt daartoe evenmin steun; zij pleit veeleer ervoor te aanvaarden dat de wetgever ervan is uitgegaan dat derden door het ter openbare terechtzitting uitspreken van de faillietverklaring en door haar inschrijving in het in art. 19 bedoelde register met het faillissement bekend kunnen zijn, en zo tot de regel is gekomen dat het faillissement tegenover hen met ingang van de dag waarop het werd uitgesproken zijn voormelde werking kan hebben.

Roham – Planex. HR 07-12-1990. NJ 1991, 216

Arrest: Roham/Planex

Onderwerp: De faillietverklaring

Inzake: Summierlijk gebleken van het bestaan van een vorderingsrecht; tegenvordering.

Vindplaats: HR 07-12-1990. NJ 1991, 216

Feiten: Het Hof heeft in hoger beroep geoordeeld dat niet summierlijk is gebleken van het bestaan van het vorderingsrecht van de schuldeiser als vereist in art. 6 lid 3 F (faillissementswet). Het Hof heeft aldus geoordeeld omdat de schuldeiser (Roham) weliswaar een vordering heeft op Planex oop grond van een huurovereenkomst, maar dat Planex een tegenvordering heeft op Roham die minstens net zo groot is.

Rechtsvraag: Moet bij het oordeel of summierlijk is gebleken van het bestaan van een vorderingsrecht er rekening mee worden gehouden dat de schuldenaar een tegenvordering heeft op de schuldeiser, dus dat na verrekening er (deels) geen vordering meer bestaat?

Overwegingen Hoge Raad: Vooropgesteld moet worden dat het Hof had te beoordelen of summierlijk van het bestaan van een vorderingsrecht van Roham, in de zin van 6 lid 3 Fw, is gebleken. Deze bepaling eist niet dat het vorderingsrecht van de schuldeiser opeisbaar is of naar omvang vaststaat. Daarmee strookt niet om, zo de schuldenaar bij wege van verweer een beroep op een tegenvordering doet, voor de vraag of dit verweer opgaat, een andere eis te stellen dan dat reeds aanstonds aannemelijk is dat de schuldenaar uit hoofde van deze tegenvordering ten minste een gelijk bedrag te vorderen heeft als dat van de vordering die aan de faillissementsaanvraag ten grondslag is gelegd, met als gevolg dat van het bestaan van die laatste vordering dan niet summierlijk is gebleken.

Aantekening verdient dat ook de aard van de procedure betreffende een verzoek tot faillietverklaring meebrengt, dat daarin niet aan de orde kan komen of de tegenvordering “spoedig en op eenvoudige wijze in rechte kan worden vastgesteld”

Het voorgaande brengt mee dat het Hof zich terecht heeft beperkt tot het onderzoek of reeds aanstonds voldoende aannemelijk was of de door Planex ingeroepen tegenvordering op voormelde voet een afdoende afweer opleverde

NB: In deze procedure is niet uitdrukkelijk een beroep gedaan op een verbod van verrekening zoals is vermeld in het huurcontract tussen Roham en planex. Was dat wel gebeurd, dan zou waarschijnlijk het faillissement zijn uitgesproken

Jennissen – Thebrath HR 07-02-1958. NJ 1958, 202 De faillietverklaring

Arrest: Jennissen / Thebrath
Vindplaats: HR 07-02-1958. NJ 1958, 202

Onderwerp: De faillietverklaring

Rechtsvraag: Kan een faillissement worden vernietigd in hoger beroep na intrekken van de aanvraag hiervan door de schuldeiser?

Als degene die het faillissement van de schuldenaar heeft aangevraagd in HB zijn aanvrage intrekt, leidt dat dan tot vernietiging van de faillietverklaring?

Hoge Raad: Dat de omstandigheid, dat hij op wiens aanvrage de rechtbank het faillissement heeft uitgesproken, in hoger beroep heeft doen verklaren dat hij zijn aanvrage intrekt, op zichzelf niet tot vernietiging van de faillietverklaring kan leiden; dat toch de eis dat de rechtbank de faillietverklaring niet dan op een aanvrage daartoe van een schuldeiser uitspreekt, niet medebrengt, dat indien op die aanvrage de faillietverklaring is gevolgd, de daarmede ingetreden rechtstoestand van faillissement, welke ook de rechtspositie van de andere schuldeisers bepaalt, alsnog ter beschikking zou zijn van den schuldeiser, die hem bevoegdelijk heeft uitgelokt