Azewijnse paard – HR 06-04-1915

Azewijnse paard

Casus

Een wet uit 1914 machtigt de Kroon “in geval van oorlog of oorlogsge­vaar” de uitvoer van goederen tijdelijk te verbieden. Een op grond van deze wet uitgevaardigd Koninklijk Besluit verbood de uitvoer van paarden. Desondanks trok verdachte een paard de grens over. Anderhalve maand later werd dit KB ingetrokken en er kwam een ander KB voor in de plaats die een uitzondering maakte voor paarden jonger dan twintig maanden. In cassatie wordt betoogd dat deze wijziging de verdachte ten goede moet komen.

Beslissing

De Hoge Raad ontkent verandering van wetgeving, in een geval dat van de voorgaande enigszins verschilde. Dit betekent niet dat de Hoge Raad de beperkte materiële leer aanvaardde. Volgens de Hoge raad moet de vraag of er gesproken moet worden van verandering van wetgeving bij snelle veranderingen in richtlijnen beantwoord worden aan de hand van het criterium of er verandering van opvatting of inzicht omtrent de strafbaarheid van het feit blijkt.

HR: Er is geen verandering van wetgeving. Motivatie:

* voorschrift is van tijdelijke aard.

* geen sprake van wet, maar van uitvoering.

* Geen sprake van veranderde opvatting van wetgever over feit.

Er is sprake van de onbeperkte materiële leer.

Voorts werd in dit arrest bepaald dat de locus delicti (de plaats van handeling) ook de plaats kan zijn waar het instrument zijn werking deed gelden, dus waar het paard over de grens werd getrokken.