Pos van den Bosch – HR 17 november 1967. ECLI-NL-HR-1967-AC4789

Pos van den Bosch

Vindplaats: HR 17 november 1967, ECLI:NL:HR:1967:AC4789

Aanvaarden van een schenking kan een on­rechtmatige daad opleveren. Wanneer men weet dat de schenker wanprestatie pleegt, in aanmerking genomen dat de begiftigde ,in een vertrouwensrelatie, overwegende invloed op de schenker had. * Tevens kan de rechter tot een vorm van schadevergoeding veroordelen anders dan in geld, natura. Art. 6:103

Betreft wetsartikel: 6:103 BW en 6:162 BW

-Uitlokken en profiteren door een derde van wanprestatie kan onder omstandig­he­den een onrechtmatige daad opleveren (vereist is de wetenschap plus).

-De rechter is bevoegd een andere vorm van schadevergoeding te bevelen dan voldoening in geld. I.c. levering van de boerderij aan V.d.Bosch (6:103).

Zie volledige tekst van arrest Pos van den Bosch

Blauboer-Berlips. HR 3 maart 1905, W 8191

1  Blauboer-Berlips

Wetsartikel: 6:251/252

De eigenaar (Berlips) die zich contractueel heeft verplicht op zijn land een weg aan te leggen blijft daartoe gebonden, ook wanneer hij het onroerend goed (de grond) inmiddels aan een ander in eigendom heeft overgedragen. Deze verplichting gaat niet over op de nieuwe eigenaar, Berlips blijft contractueel verbonden om de weg aan te leggen.

Hoge Raad: Relatieve rechten gaan niet over op opvolgers onder bijzondere titel.

Samenvatting: De eigenaar van een zaak verbindt niet onder bijzondere titel aan een opvolgende eigenaar. Plichten uit persoonlijke verbintenis gaan niet over. Art. 6:251, 252.

 

Volledige tekst arrest Blauboer-Berlips.

Miners – Klibansky. President RB Amsterdam 08-02-1990. KG 1990, 97.

Uitspraak: Miners/Klibansky

Onderwerp: Schuldeisers

Inzake: Huurovereenkomst; 39 Fw werkt niet jegens de echtgenoot indien koude uitsluiting

Vindplaats: President RB Amsterdam 08/02/1990; KG 1990, 97

Feiten: De heer en mevrouw Klibansky huren van Miners een woning. Ze zijn buiten gemeenschap van goederen gehuwd. Klibansky wordt in staat van faillissement verklaard op 31/10 en Miners zegt op 20/12 de huurovereenkomst op per 01/04. De echtelieden ontruimen niet per 1 april de woning en Miners vordert met een beroep op 39 Fw veroordeling van de Klibansky’s om de woning te ontruimen

Verweer: De Klibansky’s verweren zich door te stellen dat ze niet in gemeenschap van goederen zijn getrouwd en dat het faillissement daarom mevrouw Klibansky niet raakt en de huurovereenkomst jegens haar niet rechtsgeldig kan worden opgezegd met een beroep op 39 Fw

Rechtsvraag: Kan een verhuurder de huur rechtsgeldig opzeggen ogv 39 Fw jegens de echtgenote van de failliet verklaarde huurder indien men is gehuwd buiten elke gemeenschap van goederen?

Pres: Art. 39 Fw is op mevrouw Klibansky als echtgenote buiten gemeenschap van goederen niet van toepassing

Nu zij medehuurster van de woning is en voorts is komen vast te staan dat zij (en niet Klibansky of de boedel) de huurpenningen steeds op tijd heeft voldaan, terwijl niet aannemelijk is geworden dat ze dat in de toekomst niet uit eigen middelen zou kunnen doen, valt niet in te zien welk rechtmatig belang Miners heeft bij de gevorderde ontruiming, zodat er onvoldoende grond bestaat voor toewijzing van de vordering. Daaraan kan niet afdoen dat Klibansky als echtgenoot/medehuurder van rechtswege eveneens het genot heeft van het gehuurde

Sociaal Plan Van Gelder. HR 12-01-1990. NJ 1990, 662

Arrest: Sociaal Plan Van Gelder

Onderwerp: Schuldeisers

Inzake: Kan een vóór de faillietverklaring gesloten overeenkomst het stelsel der wet doorbreken?

Vindplaats: HR 12/01/1990; NJ 1990, 662

Feiten: Van der Kooi is sinds 1939 in dienst bij papierfabriek Van Gelder (VGP) die in 1981 in staat van faillissement wordt verklaard. Door de curatoren wordt Van der Kooi ontslag aangezegd. VGP heeft met de vakbonden een sociaal plan afgesproken. Blijkens art. 3 daarvan is het plan van toepassing op werknemers die aan bepaalde voorwaarden voldoen. Een belangrijke voorwaarde is dat de betreffende werknemers wegens bedrijfstechnische redenen moeten zijn ontslagen. Zou voor Van der Kooi zijn voldaan aan deze voorwaarde dan zou hij recht hebben op een bedrag van ƒ 59.500,00. Hij vordert dat bedrag door indiening van een vordering ter verificatie in het faillissement, en wel als preferente vordering.

Rechtsgang: De RB laat hem toe in de procedure als concurrent schuldeiser. Het Hof heeft op het door de curatoren ingestelde HB deze toelating alsnog geweigerd. Van der Kooi gaat in cassatie en stelt dat de betreffende vordering voor verificatie (met preferentie) in aanmerking komt, hoezeer het ontslag ook na de faillietverklaring heeft plaatsgevonden

Rechtsvraag: Kan de vordering van Van der Kooi worden toegewezen, nu het ontslag heeft plaatsgevonden na de faillietverklaring?

HR: De opvatting in het middel weergegeven is onjuist, omdat zij niet verenigbaar is met het stelsel dat in art. 40 Fw voor op het tijdstip van de faillietverklaring bestaande arbeidsovereenkomsten met werknemers in dient van de gefailleerde besloten ligt.

Voorop moet worden gesteld dat de regeling van 40 lid 3 Fw meebrengt dat werknemers in bepaalde gevallen kunnen worden ontslagen op een kortere termijn dan uit de overeenkomst of de wettelijke termijnen van opzegging voortvloeit, en dat deze wettelijke regeling aldus is getroffen teneinde te vermijden dat de boedelschulden zouden oplopen tot een door de wetgever niet verantwoord geachte hoogte. Deze regeling berus op een afweging van de belangen van de betrokken werknemers en dat van de faillissementscrediteuren.

Wat de onderhavige zaak betreft is voorts van belang dat de regeling van art. 40 niet uitsluit dat een overeenkomstig dat art. door de curator gegeven ontslag als kennelijk onredelijk in de zin van art. 1639s BW moet worden aangemerkt. Bij de totstandkoming van de wet is daar echter aan toegevoegd dat het hier om uitzonderingsgevallen gaat. Daarbij moet bijvoorbeeld worden geacht aan ontslag door de curator  van slechts een deel van de werknemers terwijl hij met het oog op de voortzetting van het bedrijf de overigen in dienst houdt en bij de keuze van degenen die hij ontslaat een kennelijk onredelijke maatstaf hanteert. De vergoeding die in een zodanig geval door de curator wegens het kennelijk onredelijke ontslag verschuldigd wordt moet met analogische toepassing van 40 lid 3 als boedelschuld worden beschouwd.

Tenslotte is in deze zaak van belang dat in art. 40 tevens besloten ligt dat vorderingen die uit de arbeidsovereenkomst zijn ontstaan in de periode die met de dag van de faillietverklaring aanvangt, slechts boedelschulden kunnen opleveren, maar niet voor verificatie in het faillissement in aanmerking komen, terwijl dit wel het geval is met vorderingen die uit die overeenkomst zijn ontstaan in de periode vóór de dag der faillietverklaring.

Het is met het hiervoor weergegeven, op een belangenafweging berustend stelsel van de wet, niet verenigbaar dat het resultaat van die afweging zou kunnen worden doorbroken door een vóór de faillietverklaring met de gefailleerde gesloten overeenkomst, die de strekking heeft om, ook terzake van na de faillietverklaring door de curator gegeven ontslagen, aan de werknemers een vergoeding voor door hen als gevolg van het ontslag, en derhalve na de faillietverklaring, geleden nadeel toe te kennen, ook zonder dat is komen vast te staan dat de ontslag kennelijk onredelijk was in de zin van de wet.

 

 

Gas en Water. HR 20-03-1981. NJ 1981, 640

Arrest: Gas en Water

Onderwerp: Schuldeisers

Inzake: Schuldeiser ogv overeenkomst; Mag nutsbedrijf na faillietverklaring leveranties opschorten?

Vindplaats: HR 20/03/1981; NJ 1981, 640

Feiten: De heer H. Bakker heeft een schuld aan het energiebedrijf. Hij komt in surséance en wordt later failliet verklaard. In de algemene voorwaarden van het nutsbedrijf staat dat zij het recht heeft tot afsluiting c.q. onderbreking van de toevoer van gas en water indien de afnemer een schuld heeft aan de vennootschap. De curator heft verklaard de overeenkomst voor de toekomst gestand te willen doen miv de datum waarop surséance van betaling werd verleend.

Rechtsvraag: Heeft het nutsbedrijf het recht om de gefailleerde af te sluiten van gas en water (dus om de leveringen te staken) en mag de curator het nutsbedrijf bevoordelen boven andere concurrente schuldeisers?

HR: Voorop moet worden gesteld dat een recht op verdere leveranties op te schorten zolang eerdere leveranties niet zijn betaald, in beginsel ook geldt in geval van faillissement van de wederpartij en met het doel om betaling te verkrijgen van een oude (vóór de faillietverklaring ontstane) schuld. De curator zal dan het belang van de boedel bij voortzetting van de leveranties hebben af te wegen tegen het belang van een gelijke behandeling van de schuldeisers. Dit laatste belang zal er in het algemeen mee gediend zijn dat van verdere leveranties wordt afgezien, waarbij mede valt te denken aan de mogelijkheid dat de curator de desbetreffende goederen van elders betrekt

Voor wat het onderhavige geval betreft, dient echter in aanmerking te worden genomen dat het hier gaat om de levering van gas en water, dus zaken die in de particuliere sfeer strekken ter voorziening in de eerste levensbehoeften, en dat de vennootschap (een openbaar nutsbedrijf) in haar distributiegebied een monopoliepositie inneemt. Dit brengt mee dat de curator, die bij de uitoefening van zijn taak ook met de gerechtvaardigde belangen van de gefailleerde rekening moet houden, het in het algemeen niet zal kunnen laten aankomen op het staken van verdere leveranties, nu voor de gefailleerde geen mogelijkheid bestaat om zich tot een andere leverancier te wenden. Het belang van een gelijke behandeling van de schuldeisers zal dus in zo’n geval op een andere wijze moeten worden beschermd, en wel door een uitzondering te aanvaarden op de hiervóór bedoelde hoofdregel voor het geval een failliet verklaarde afnemer van een nutsbedrijf door afsluiting ter zake van wanbetaling in de voormelde eerste levensbehoeften van hem en zijn gezin worden getroffen. In een dergelijk geval komt het bedrijf de bevoegdheid tot afsluiting wegens een onbetaald gebleven schuld van vóór de faillietverklaring niet toe

 

 

Hermans – Teixeira de Mattos. HR 28-11-1930. NJ 1931, 253

Arrest: Hermans – Teixeira de Mattos

Onderwerp: Schuldeisers

Inzake: Boedelschuld; Beslag op afzonderlijke delen van vermogen dan mogelijk

Vindplaats: HR 28/11/1930; NJ 1931, 253

Feiten:  Eiser in deze zaak was advocaat Hermans, in zijn hoedanigheid van curator van ene Lansdorp

In een vonnis van de RB is de curator (in zijn hoedanigheid van curator, dus als beheerder van de faillissementsboedel) veroordeeld tot de proceskosten. De weduwe Teixeira de Mattos heeft executoriaal derdenbeslag gelegd onder de advocaat zelf in privé. Hij is daartegen in verzet gekomen, omdat hij meent dat executoriaal beslag ten laste van een faillissementscurator niet bij wet is toegelaten

Rechtsvraag: Is derdenbeslag ten laste van een faillissementscurator toegelaten => wat is een boedelschuld?

 

Hoge raad: In het middel wordt met juistheid gesteld dat het faillissement moet worden aangemerkt als een gerechtelijke beslag op het gehele vermogen van de schuldenaar tbv zijn gezamenlijk schuldeisers, onder welke schuldeisers moet worden verstaan zij, die dit zijn ten tijde dat het algemeen beslag wordt gelegd, namelijk: op de dag der faillietverklaring

 

Eveneens terecht wordt gesteld dat een tweede beslag op datzelfde vermogen daarnaast niet bestaanbaar is, wanneer daarmee wordt bedoeld een tweede beslag door schuldeisers, te wier behoeve reeds het algemeen beslag is gelegd. Dat dit  verboden wordt in 33 Fw en voor deze schuldeisers trouwens een afzonderlijk beslag op de boedel of een deel daarvan overbodig zijn, mits zij hun rechten kunnen doen gelden door zich aan te melden ter verificatie dat hier evenwel de zaak anders ligt, daar verweerders beslag hebben gelegd voor een schuld, die nog niet bestond bij de faillietverklaring, en zij eerst tijdens de loop van het faillissement schuldeiser zijn geworden van de curator in zijn hoedanigheid. Dat immers eiser is veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verweerders, welke kosten als boedelschuld worden aangemerkt; dat wanneer de curator zodanige boedelschuld, waarvan verificatie is uitgesloten niet vrijwillig betaalt, geen enkele wetsbepaling zich ertegen verzet en ook het stelsel van de Fw niet verbiedt om voor die schuld beslag te leggen op delen van de boedel die de curator in zijn hoedanigheid onder zich heeft en die voor die schuld aansprakelijk zijn.

Brandwijk-Guis vs Jurgens. HR 28-06-1991. NJ 1991, 727.

Arrest: Brandwijk-Guis vs Jurgens.

Onderwerp: Het bestuur van de failliete boedel

Inzake:  Beroep door een schuldeiser op 69 Fw. Gebrek aan belang.

Vindplaats: Bundel blz. 235; HR 28-06-1991. NJ 1991, 727.

Feiten: G.G. Brandwijk is failliet. Op 11 januari 1991 verkoopt hij alle 196 aandelen in de Algemene Bouwmaatschappij Brandwijk B.V. aan zijn broer Arie. De curator roept de nietigheid in van deze aandelentransactie. Op grond van 69 Fw wendt mevrouw Brandwijk-Guis (zij is familielid en ook schuldeiser in het faillissement van G.G. Brandwijk) zich tot de RC met het verzoek om de curator te bevelen zijn beroep op de nietigheid van de transactie in te trekken. De RC wijst dat verzoek af. Ze gaat in HB en verzoekt de RB de beschikking van de RC te vernietigen en alsnog de curator te bevelen zijn beroep op de nietigheid in te trekken. De RB wijst het verzoek af. Brandwijk-Guis gaat in cassatie.

Rechtsvraag:  Wanneer heb je als schuldeiser een beroep op art. 69 Fw?

HR: De curator heeft betoogd dat Brandwijk-Guis wegens gemis aan belang niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar cassatie-beroep. Dit betoog gaat op.

Voor een bevel op voet van 69 lid 1 Fw op verzoek van een schuldeiser is slechts plaats indien de bij het beheer en de vereffening van de failliete boedel betrokken belangen van de verzoeker als schuldeiser door het verrichten of nalaten van de betreffende handeling van de curator worden geschaad. Hier komt Brandwijk-Guis, schuldeiser in het faillissement van G.G. Brandwijk, op tegen het inroepen door de curator van de nietigheid van de aandelentransactie. In hetgeen de RB als vaststaande heeft aangenomen ligt besloten dat zowel indien deze transactie doorgang zou vinden als indien deze geen doorgang zou vinden, integrale voldoening van de vordering van Brandwijk-Guis verzekerd is.

Hetgeen al vaststaande kan worden aangenomen laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat er bij Brandwijk-Guis geen sprake is van een belang als schuldeiser; het komt immers erop neer dat integrale voldoening van haar vordering op korte termijn hoe dan ook is verzekerd. Mitsdien is er hier voor toepassing van art. 69 lid 1 geen plaats. Dit brengt mee dat ze geen belang heeft bij haar cassatie-verzoek.

Vis – NMB. HR 31-03-1989. NJ 1990, 1

Arrest: Vis q.q./NMB

Onderwerp: Het bestuur van de failliete boedel.

Inzake: Wanneer valt een girale betaling in de boedel?

Vindplaats: HR 31-03-1989. NJ 1990, 1.

Feiten: Interieurverzorging De Groot B.V. wordt op 18/11/1981 in staat van faillissement verklaard. Op dezelfde datum wordt van de girorekening van De Groot een bedrag van ƒ 30.000,00 afgeschreven ten gunste van de NMB bank. De curator vordert het bedrag terug, omdat hij van mening is dat het in de failliete boedel valt, omdat ogv 23 F De Groot die dag niet meer kon beschikken over zijn vermogen. De bank stelt dat de opdracht tot het overmaken van het bedrag al dagen eerder was gegeven en dat De Groot op die dag nog wel beschikkingsbevoegd was en dat dus het bedrag niet in de failliete boedel valt.

Rechtsvraag: Een girale betaling welke wordt voltooid op de dag dat iemand failliet wordt verklaard, maar waarvoor de opdracht al dagen daarvoor werd gegeven, valt die wel of niet in de failliete boedel?

HR: Blijkens de feiten gaat het hier om een girale betaling door de schuldenaar, die pas na aanvang van de dag van de faillietverklaring is voltooid. Het beginsel van 23 F brengt mee dat de curator het aldus betaalde terug kan vorderen, indien de giro-instelling aan welke de overschrijvingsopdracht werd gegeven, bij de aanvang van de dag van de faillietverklaring nog niet alle handelingen had verricht, die zij als opdrachtnemer van de schuldenaar ter effectuering van de betaling aan diens schuldeiser gehouden was te verrichten. Dit geval doet zich hier voor nu de afschrijving pas op 18 november 1981 heeft plaatsgevonden.

Opmerking verdient nog dat een girale betaling eerst wordt voltooid door de bijschrijving op de rekening van de schuldeiser. Indien het, zoals in het onderhavige geval, gaat om een rekening bij dezelfde giro-instelling als die waaraan de schuldenaar als rekeninghouder de opdracht gaf, zal ook deze bijschrijving vóór de aanvang van de dag van de faillietverklaring moeten zijn geschied, wil de hier bedoelde terugvordering door de curator van het overgemaakte bedrag uitgesloten zijn. Ook een zodanige bijschrijving geschiedt immers door de giro-instelling als opdrachtnemer van de schuldenaar, zij het dat zij daarmee tevens voldoet aan de verplichtingen die uit haar rechtsverhouding tot de schuldeiser als rekeninghouder voortvloeien.

Van Kempen en Begeer – Blankenstein en Tiethoff. HR 25-09-1987. NJ 1988, 136

Samenvatting arrest Van Kempen en Begeer/Blankenstein en Tiethoff.

Onderwerp: Het bestuur van de failliete boedel

Inzake: Niet te scheiden boedel twee failliete vennootschappen. Gezamenlijke verificatievergadering

Vindplaats: Bundel blz. 346; HR 25-09-1987. NJ 1988, 136.

Feiten: VKB en Furness zijn schuldeisers. Door aandeelhouder en bestuurders zijn van 2 failliete ondernemingen (DCW en Zilfa) de boedels feitelijk samengevoegd. De schuldeisers willen dat de boedels worden gescheiden. De curatoren hebben dat niet gedaan en de schuldeisers vragen de rechter-commissaris de curatoren te bevelen tot scheiding van de boedels over te gaan. De rechter-commissaris geeft een afwijzende beschikking en de schuldeisers vragen de rechtbank de beschikking van de rechter-commissaris te vernietigen en de scheiding van de boedels te bevelen

Rechtbank: In een geval dat twee failliete boedels zijn samengevoegd behoren de curatoren de dientengevolge door hen aangetroffen ene boedel te scheiden, maar dat geldt niet indien zodanige scheiding niet mogelijk is. In het onderhavige geval valt de boedel niet meer te scheiden, want DCW is een lege vennootschap geworden en is voor het overige in Zilfa opgegaan. Er mag ook geen scheiding worden gemaakt tussen de schuldeisers van de ene en de andere vennootschap. De schuldeisers in de beide vennootschappen zijn gerechtigd tot de activa van de ene boedel. De schuldeisers gaan in cassatie

Rechtsvraag: Is de overweging van de rechtbank juist als zou “ook geen scheiding mogen worden gemaakt tussen de schuldeisers van de ene en de andere vennootschap”?

Hoge Raad: Deze overweging heeft tot uitgangspunt dat de door de curatoren aangetroffen activa niet zijn te scheiden in activa van DCW en activa van Zilfa (deze overweging kan niet los worden gezien van de vaststelling dat in de faillissementen van DCW en Zilfa afzonderlijke verificatievergaderingen zijn gehouden). Dit oordeel sluit in dat in deze situatie de alleen in het faillissement van DCW en de alleen in het faillissement van Zilfa geverifieerde schuldeisers zonder meer voor een uitkering uit de ene boedel in aanmerking kunnen komen.

Dat oordeel komt daarmee in strijd met het stelsel van de Fw zoals neergelegd in de artt. 115, 116, 19 en 122. Volgens dat stelsel zijn alle schuldeisers voor wie de failliete boedel tot verhaal strekt, bevoegd de juistheid van de vordering van een andere schuldeiser, de beweerde voorrang of het beweerde recht van terughouding te betwisten of zich bij de betwisting van de curator aan te sluiten. Dit brengt mee dat in het door de rechtbank  aanwezig geachte geval van één boedel slechts als geverifieerde vorderingen kunnen gelden vorderingen die geverifieerd zijn op een in beide faillissementen tezamen gehouden verificatievergadering waaromtrent alle bekende schuldeisers van beide vennootschappen door de curatoren schriftelijk zijn verwittigd en waar die crediteuren de in de art. 116 2e zin en 119 lid 1 2e zin bedoelde bevoegdheden hebben kunnen uitoefenen.

Aalburgse Bandencentrale. HR 11-01-1980. NJ 1980, 563

Samenvatting arrest Aalburgse Bandencentrale

Onderwerp: Het bestuur van de failliete boedel

Inzake:  Bescherming derde te goeder trouw in periode tussen faillietverklaring en publicatie?

Vindplaats: Bundel blz. 27; HR 11-01-1980. NJ 1980, 563

Feiten: Maas wordt failliet verklaard op 16 juni. Het faillissement wordt pas gepubliceerd op 29 juni. Buiten medeweten van zijn curator heeft Maas op 21 juni door de Aalburgse Bandencentrale reparaties laten verrichten aan zijn vrachtauto ten koste van ruim ƒ 8.000,00. Bovendien heeft hij een oude nog openstaande rekening betaald

de curator vordert de bedragen terug. Abc beroept zich erop dat het faillissement nog niet was gepubliceerd en dat het daarom nog geen derdenwerking zou hebben

Rechtsvraag: Heeft een faillissement derdenwerking in de tijd tussen de faillietverklaring en de publicatie van het faillissementsvonnis?

HR: Voor verbintenissen van een gefailleerde, welke voortvloeiend uit door hem op of na de dag van zijn faillietverklaring gesloten overeenkomsten, is de boedel ingevolge de artt. 23 en 24 Fw niet aansprakelijk dan voor zover deze tengevolge daarvan is gebaat. Deze verbintenissen gelden in zoverre niet ten opzichte van de curator en deze kan, indien zij niettemin ten laste van de boedel zijn gekweten, het betaalde als onverschuldigd terugvorderen

Het onderdeel strekt ten betoge dat een algemeen beginsel van bescherming van derden te goeder trouw zou meebrengen dat op evenbedoelde regels een uitzondering valt te maken ten gunste van hem die, onbekend met het faillissement, met de gefailleerde heeft gecontracteerd voordat de in 14 lid 3 Fw voorziene publikatie van het faillissement heeft plaatsgevonden. Dit betoog kan niet worden aanvaard

De tekst van de artt. 23 en 24 geeft voor het maken van een uitzondering uit hoofde van een zodanig beginsel geen grond. De geschiedenis van de totstandkoming van de Fw biedt daartoe evenmin steun; zij pleit veeleer ervoor te aanvaarden dat de wetgever ervan is uitgegaan dat derden door het ter openbare terechtzitting uitspreken van de faillietverklaring en door haar inschrijving in het in art. 19 bedoelde register met het faillissement bekend kunnen zijn, en zo tot de regel is gekomen dat het faillissement tegenover hen met ingang van de dag waarop het werd uitgesproken zijn voormelde werking kan hebben.