Poging tot gasmoord – hamer-arrest HR 29-05-1951 – NJ 1951, 480

HOGE RAAD 29-05-1951  POGING TOT GASMOORD / HAMER-ARREST          45 Sr

Casus:

In dit arrest is de dader niet toegekomen aan de handeling die de dood van het slachtoffer te weeg had moeten brengen. Namelijk het in de gasoven leggen van het slachtoffer. Na de klap met de hamer valt de echtge­noot de ingebroken minnaar van zijn vrouw aan.

De Hoge Raad neem toch een strafbare poging aan. Dit duidt op een niet zo strenge causale pogingsleer.

 

Vindplaats: NJ 1951, 480

Eindhovense brandstichting – HR 19-03-1934 – NJ 1934/450

EINDHOVENSE BRANDSTICHTING HR 19-03-1934

CASUS: Het huis is al brandklaar gemaakt. Er hoeft alleen nog maar aan het touwtje getrokken te worden, maar verdachte doet dit niet omdat er inmiddels veel mensen op straat staan.

Hier wordt de causale pogingsleer gehanteerd: het causale verband tussen gedraging en strafbaar gevolg is bepalend voor het begin van uitvoering in de zin van art. 45. Dit duidt op de objectieve leer. Het prepareren van de woning wordt niet gezien als begin van uitvoering. Zodra er aan het touwtje getrokken wordt is er begin van uitvoering. De gedraging zal leiden, zonder nader ingrijpen van de dader zelf tot het misdrijf.

Tilburgse wapenhandelaar – HR 10-12-1991

TILBURGSE WAPENHANDELAAR

Casus:

Een wapenhandelaar geeft zijn dochter regelmatig een geweer mee teneinde demonstraties te geven. Hiervoor heeft zij een geleide, echter zij moet de geweren direct na de demonstratie terugbrengen. Dit doet zij niet.

Vroeger moest men kijken of de oude bepaling was terug te vinden in de bewezenverklaring en in de nieuwe bepaling. In het arrest “Tilburgse wapenhandelaar”  past de Hoge Raad zijn mening aan.

De rechter dient nu nog steeds eerst te onderzoeken of de (bewezen verklaarde) tenlastelegging onder de oude bepaling kan worden gerubriceerd. Is dat het geval, dan moet hij vervolgens aan de hand van de bewijsmiddelen kijken of ook de nieuwe strafbepaling is overtreden; hierbij is dus niet meer de tenlastelegging doorslaggevend, maar gaat het om het feit zoals het is gepleegd (kijken naar de tenlastelegging, de gedraging en de bewijsmiddelen). Is blijkens de bewijsmiddelen ook de nieuwe delictsomschrijving van toepassing, maar is deze nieuwe wet ongunstiger dan dient volgens de hoofdregel van het eerste lid van artikel 1 Sr. op de oude bepaling te worden gekwalificeerd, dus uiteindelijk toch op de grondslag van de tenlastelegging. Voor zover de strafbedrei­ging van de nieuwe wet lager is geldt art. 350 Sv: dus de nieuwe bepaling. Het geval kan zich dus voordoen dat naar de oude wet wordt gekwalificeerd terwijl de strafbedreiging van de nieuwe wet geldt.

Azewijnse paard – HR 06-04-1915

Azewijnse paard

Casus

Een wet uit 1914 machtigt de Kroon “in geval van oorlog of oorlogsge­vaar” de uitvoer van goederen tijdelijk te verbieden. Een op grond van deze wet uitgevaardigd Koninklijk Besluit verbood de uitvoer van paarden. Desondanks trok verdachte een paard de grens over. Anderhalve maand later werd dit KB ingetrokken en er kwam een ander KB voor in de plaats die een uitzondering maakte voor paarden jonger dan twintig maanden. In cassatie wordt betoogd dat deze wijziging de verdachte ten goede moet komen.

Beslissing

De Hoge Raad ontkent verandering van wetgeving, in een geval dat van de voorgaande enigszins verschilde. Dit betekent niet dat de Hoge Raad de beperkte materiële leer aanvaardde. Volgens de Hoge raad moet de vraag of er gesproken moet worden van verandering van wetgeving bij snelle veranderingen in richtlijnen beantwoord worden aan de hand van het criterium of er verandering van opvatting of inzicht omtrent de strafbaarheid van het feit blijkt.

HR: Er is geen verandering van wetgeving. Motivatie:

* voorschrift is van tijdelijke aard.

* geen sprake van wet, maar van uitvoering.

* Geen sprake van veranderde opvatting van wetgever over feit.

Er is sprake van de onbeperkte materiële leer.

Voorts werd in dit arrest bepaald dat de locus delicti (de plaats van handeling) ook de plaats kan zijn waar het instrument zijn werking deed gelden, dus waar het paard over de grens werd getrokken.