Eierschedelarrest – Hof Amsterdam, 14-06-1939

EIERSCHEDELARREST

Het slachtoffer van een vechtpartij had een eierschedel (zeer zwakke schedel) en is na één slag dood.

Relevant wetsartikel: Art. 300 Sr.

Casus
Een man gooit tijdens een echtelijke ruzie een pantoffel naar het hoofd van zijn  vrouw. De pantoffel komt terecht boven het oor van de vrouw, waardoor een kleine bloeding ontstaat. Een paar uur later overlijdt de vrouw in het ziekenhuis. Hier blijkt dat de vrouw een abnormaal dunne schedel had, (eierschedel, een zeldzame vorm van breekbaarheid van de schedel).
Hierdoor had de getroffen pantoffel een veel ernstiger gevolg dan bij ‘normale’ mensen.

De man staat terecht voor mishandeling de dood ten gevolge hebbende, subsidiair mishandeling.

De rechtsvraag
Is er een causaal verband tussen het overlijden van de vrouw en het gooien van de pantoffel?

Overweging
De rechtbank: de dood van de vrouw is niet aan de man toe te rekenen. Overweging: ‘een worp (met die pantoffel) is onder de ten laste gelegde omstandigheden, niet geschikt en voorbestemd om de dood te veroorzaken.’ De dood was geen voorzienbaar gevolg.

Het gevolg en de oorzaak passen in dit geval niet bij elkaar.
Het Hof: rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, dus ook op de omstandigheid dat de vrouw een erg dunne schedel had. Het Hof veroordeelt de man voor mishandeling met de dood tot gevolg, omdat de dood van de vrouw een rechtstreeks gevolg was van de worp met de pantoffel. Het Hof let op de structuur van het delict mishandeling. Hier zit een gevaar zettend element in en mishandeling is sowieso al risicovol en kan makkelijk tot ongewenste gevolgen leiden. Het gevolg wordt toegerekend aan de man, ondanks dat de opzet op de dood van zijn vrouw ontbreekt.

De zeldzame afwijking van het slachtoffer staat er niet aan in de weg dat in het algemeen te voorzien was dat bepaald gedrag tot zwaar lichamelijk letsel kan leiden. Er is sprake van causaal verband tussen de worp met de pantoffel door de man en de dood van de vrouw.

 

Niet behandelde longinfectie – HR 25 juni 1996 – NJ 1997,563

Niet behandelde longinfectie – HR 25 juni 1996 – NJ 1997,563

Casus: Vriend schiet vriendin neer in de hals, deze loopt een dwarslaesy op. Arts:” Het slachtoffer besloot om niet meer tot een operatie over te gaan.” Het slachtoffer intervenieert hier zelf. Ze overlijdt vervolgens aan een niet behandelde longinfectie. De verdachte wordt veroordeeld wegens doodslag. De Hoge Raad oordeelt, op basis van het criterium van redelijke toerekening, dat verdachte opzettelijk zijn vriendin van het leven heeft beroofd. Volgens de Hoge raad doorbreekt ook de interventie van het slachtoffer de causale keten niet, het letsel is te ernstig in deze casus. Een makkelijkere oplossing was geweest het ten laste leggen van poging tot moord, nu was enkel doodslag ten laste gelegd.

Haarlemse doodslag HR 07-05-1985, NJ 1985, 821

Haarlemse doodslag HR 07-05-1985, NJ 1985, 821

Casus: A steekt B in de hals, B gaat pas na zeven dagen dood. Is A verant­woordelijk?

Verweer:” de man had in het ziekenhuis beter behandeld kunnen worden.”

De opzet was echter gericht op de dood en de man is dood. De opzet breidt dus de aansprake­lijkheidscirkel uit. De Hoge Raad vindt dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijs valt toe te rekenen aan de verdachte. De leer van het Letale Longemboliearrest wordt dus bevestigd.

Slagkwikpijpjes HR 18-02-1921, NJ 1921, 327

Slagkwikpijpjes HR 18-02-1921, NJ 1921, 327

Casus: verdachte (een officier) oefent veel met granaten en neemt per ongeluk twee explosieve buisjes mee naar huis. Hij doet ze in een vaasje en vergeet ze daarna. Na enkele maanden verhuist hij waarna de hospita de buisjes vindt en ze een verdieping lager legt. Deze verdieping wordt gebruikt als sportcen­trum. De eigenaar gebruikt buisje de pin van het buisje voor  zijn schuifraam. Enkele maanden later komen er twee werklui het huis uitruimen. Er volgt een ontploffing en de man zijn hand is weg. Kan dit letsel nog worden toegerekend aan de officier? Is hij op grond van art. 308 “letsel door schuld” aansprakelijk?

Hof: het causale verband is door het tijdsverloop vervaagd. Ook moet er gekeken worden naar het aantal interven­ties (4x). In deze casus is de hospita medeverantwoordelijk want zij kon van deze gevolgen weten. Hierdoor wordt de man vrijgesproken.

Hier is sprake van de causa oxima-theorie: Men is enkel aansprakelijk voor de gevolgen die rechtstreeks en onmiddellijk (zonder al te veel tijdsverlies) voortvloeien.

Letale longembolie HR 12-09-1978, NJ 1979/60

LETALE LONGEMBOLIE, HR 12-09-1978  NJ 1979/60

In dit arrest wordt de leer van de ‘redelijke toerekening’ voor het eerst gehanteerd. De leer van de voorzienbare toerekening (Spoorwegovergang arrest) wordt verlaten.

Casus: Het slachtoffer van een aanrijding wordt ernstig gewond in het ziekenhuis opgenomen waarna zij na 12 dagen uiteindelijk overlijdt aan een longembolie, die als complicatie was opgetreden bij de noodzakelijke medische ingreep om haar leven te behouden. De verdachte wordt vervolgd en veroordeeld wegens dood door schuld (art. 36 WVW, een culpoos delict)).

Rechtsvraag: is er nog voldoende causaal verband tussen de botsing en het overlijden? Volgens de arts is de patiënt overleden aan een longtrombose.

De Hoge Raad ziet de complicatie niet van zodanige aard dat de dood van het slachtoffer niet meer aan de veroorzaker van de aanrijding is toe te rekenen. De verdachte blijft dus schuldig.

In dit arrest wordt de term “voorzienbaar” vervangen door “redelijke toerekening”

  1. In de Wegenverkeerswet zijn de meeste bepalingen sterk geobjectiveerd. Causaliteit wordt dus vrij snel aangenomen.

Spoorwegovergang HR 20-04-1971, NJ 1972, 82

HOGE RAAD 20-04-1971  SPOORWEGOVERGANG            36 WVW

Casus: Bij een spoorwegovergang knalt een auto op een andere. Deze auto komt op de spoorrails te staan. De bestuurder springt uit de auto maar blijft op de rails staan om zijn vrouw en kind te helpen redden en wordt geraakt door de trein en verliest zijn arm. Hij stelt de veroorzaker aansprakelijk.

Het verweer richt zich op het feit dat de man niet logisch heeft gehandeld. Hij had kunnen terugrijden of doorrijden etc.

De Hoge Raad oordeelt dat de paniek van de bestuurder, redelijkerwijs was te voorzien als gevolg van

de ‘schrikwekkende positie’ waarin hij was terechtgekomen.

De veroorzaker creëerde een gevaarlijke situatie en is zodoende ook verantwoordelijk voor paniekreacties.

Uit dit arrest blijkt dus dat bij het vaststellen van de causaliteit de voorzien­baarheid een rol speelt.

De term “voorzienbaarheid” heeft echter een bezwaar aangezien de veroorzaker de reactie niet kon voorzien. Het delict is een culpoos delict.

De Hoge Raad hanteert hier nog de leer van de voorzienbaarheid.

Salabiaku 07-10-1988, NJ 1991, 351

SALABIAKU                                                                        6 EVRM

Casus: Salabiaku (reiziger) is zijn koffer kwijt en neemt een andere mee waar hasjiesj in blijkt te zitten. De Franse rechter is van mening dat het niet uitmaakt of hij wist wat er in de koffer zat. In de delictsomschrijving stond enkel “bezit” van drugs (geen opzet of schuld) en de man was in bezit.

Salabiaku beroept zich op artikel 6 lid 2 EVRM: schending onschuldclausule (de veronderstelling van de onschuld tot bewezenverklaring). Wat hij in feite zegt is dat het OM maar moet bewijzen dat hij schuldig is. De Europese Commissie en het Europese Hof zijn van mening dat deze onschuldclausule slechts speelt als de verdachte volgens de delictsomschrijving geen kans heeft om zijn onschuld te bewijzen.

Dit arrest gaat over de bewijslast en behoort eigenlijk tot het strafprocesrecht.

 

Krakersarrest – HR 02-02-1971, NJ 1971, 385

KRAKERSARREST                                                                       art. 138 Sr.

De HR: in art. 138 SR wordt met bescherming van de huisvrede bedoelt  de vrede van de bewoner. Bij een leegstaand huis is er dus geen sprake van dit misdrijf aange­zien de eigenaar van de woning niet door artikel 138 SR wordt beschermd.

Elektriciteitsarrest – HR 23-05-1921 – NJ1921, 564

ELECTRICITEITSARREST                                                                      310 WvSr

Casus: Een tandarts tapt meer elektriciteit af dan waarvoor hij betaalt. Hij wordt beschuldigd van diefstal, artikel 310,

Rechtsvraag: a) Is elektrische energie een goed, kan het worden weggenomen? Is het zichtbaar / tastbaar?

Hoe abstracter de delictsomschrijving, hoe meer eronder kan vallen.

In dit geval werd uiteindelijk beslist dat elektriciteit een goed is dat geheel of gedeeltelijk aan een ander toe behoort en dus ook kan worden gestolen. De Hoge Raad pas de wet toe naar de bedoeling van de wetgever. Een “goed” werd hier uitgelegd als een ‘vermogensbe­standdeel met een zelfstandig bestaan en waarde.

Aan het wegnemen daarvan besteedde de Hoge Raad geen aandacht. In deze beslissing abstraheert de rechter het woord “goed”, iets wat eigenlijk is voorbehouden aan de wetgever.

Er vindt dus een extensieve interpretatie van de delictsomschrijving plaats. Voorts doet de rechter een theologische uitspraak aangezien hij uitgaat van de bedoeling van de strafbepaling. Er komen dus meerdere interpretatiemethoden voor in dit arrest.

Uitzendburo CITO – HR 24-10-1978 – NJ 1979/52

UITZENDBURO CITO

Relevant wetsartikel: 45 Sr

In dit arrest verlaat de Hoge Raad de causale pogingsleer en gaat over tot de finale pogingsleer.

Casus: Twee overvallers bellen aan bij een uitzendbureau. Hun gelaat gedeelte­lijk bedekt, in het bezit van schietklare wapens en een lege weekendtas. Uit deze gedragingen volgt hun intenties om over te gaan op diefstal met geweld of bedreiging.

HOGE RAAD: om voorbereiding en begin van uitvoering van elkaar te scheiden moet men kijken naar de uiterlijke verschijningsvorm die geacht moet zijn te gericht op de voltooiing van het misdrijf (objectief). Het causale criterium is daarmee verlaten. Echter het objectieve element blijft overheersen.

Factor 1: de gerichtheid van de gedraging dient uit de uiterlijke verschij­ningsvorm van die gedraging te kunnen worden afgeleid (objectief)

Factor 2: deze gedraging moet zijn gericht op de voltooiing van het mis­drijf, ook wel het vereiste van ‘concrete gevaarzetting’ genoemd.

Let op: de gedragingen zijn geen uitvoeringshandelingen van het beoogde misdrijf zelf.

Tegenwoordig noemen we deze leer het Cito-criterium (kijken naar de uiterlijke verschijningsvorm), ook wel de Eindruks-theorie genoemd. Deze theorie heeft ook geleid tot het strafbaar stellen van voorbereidingshandelingen.
In deze casus was er wel sprake van een begin van uitvoering.