Administratieve Dienstverlening Bussum – Planex. HR 22-07-1991. NJ 1991, 748

Arrest: Administratieve Dienstverlening Bussum – Planex

Onderwerp: de faillietverklaring

Vindplaats: HR 22-07-1991. NJ 1991, 748.

Feiten: In dit arrest werd in hoger beroep de beslissing tot faillietverklaring vernietigd op de grond dat Planex een compensabele tegenvordering had op Roham die tenminste gelijk was aan de vordering van Roham op Planex. Rohan heeft de vordering op Planex gecedeerd aan Administratieve Dienstverlening Bussum (ADB). ADB vraagt het faillissement aan van Planex.

Rechtsgang: De rechtbank heeft de faillietverklaring afgewezen. Het Hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

Rechtsvraag: Is Planex gerechtigd aan Roham (en dus nu ook aan ADB) haar tegenvordering tegen te werpen? Doet aan dit verweer af de omstandigheid dat krachtens het huurcontract tussen Roham en Planex verrekening met de vordering van Roham is uitgesloten?

Hoge Raad: Vooropgesteld moet worden dat een contractuele uitsluiting van verrekening van kracht blijft ingeval van een faillissement. Gelet hierop valt niet in te zien dat een beroep op zulk een contractuele uitsluiting van verrekening niet met succes kan worden gedaan door een schuldeiser die het faillissement van zijn schuldenaar aanvraagt en daarbij wordt geconfronteerd met het verweer dat de schuldenaar een tegenvordering heeft. Immers alleen indien verrekening kan plaatsvinden, kan het bestaan van een tegenvordering (tot tenminste een gelijk bedrag) tot gevolg hebben dat van het bestaan van de vordering die aan de faillissementsaanvraag ten grondslag is gelegd, niet summierlijk is gebleken.

JK: Toen Roham in de vorige procedure (zie Roham – Planex) het niet voor elkaar kreeg om Planex failliet te verklaren (doordat ze in eerste instantie waren vergeten naar voren te brengen dat er een verbod van verrekening was overeengekomen, de verrekening, die grond was voor het Hof om te concluderen dat niet summierlijk was gebleken van de vordering van Roham), cedeerde ze haar vordering aan ADB. Die konden, als nieuwe schuldeiser, opnieuw een aanvrage tot faillietverklaring doen en deden wel een beroep op het verbod van verrekening. Dus casseerde de HR het arrest van het Hof en dus het vonnis van de RB dat Planex niet failliet kon worden verklaard. Planex werd failliet verklaard!

Roham – Planex. HR 07-12-1990. NJ 1991, 216

Arrest: Roham/Planex

Onderwerp: De faillietverklaring

Inzake: Summierlijk gebleken van het bestaan van een vorderingsrecht; tegenvordering.

Vindplaats: HR 07-12-1990. NJ 1991, 216

Feiten: Het Hof heeft in hoger beroep geoordeeld dat niet summierlijk is gebleken van het bestaan van het vorderingsrecht van de schuldeiser als vereist in art. 6 lid 3 F (faillissementswet). Het Hof heeft aldus geoordeeld omdat de schuldeiser (Roham) weliswaar een vordering heeft op Planex oop grond van een huurovereenkomst, maar dat Planex een tegenvordering heeft op Roham die minstens net zo groot is.

Rechtsvraag: Moet bij het oordeel of summierlijk is gebleken van het bestaan van een vorderingsrecht er rekening mee worden gehouden dat de schuldenaar een tegenvordering heeft op de schuldeiser, dus dat na verrekening er (deels) geen vordering meer bestaat?

Overwegingen Hoge Raad: Vooropgesteld moet worden dat het Hof had te beoordelen of summierlijk van het bestaan van een vorderingsrecht van Roham, in de zin van 6 lid 3 Fw, is gebleken. Deze bepaling eist niet dat het vorderingsrecht van de schuldeiser opeisbaar is of naar omvang vaststaat. Daarmee strookt niet om, zo de schuldenaar bij wege van verweer een beroep op een tegenvordering doet, voor de vraag of dit verweer opgaat, een andere eis te stellen dan dat reeds aanstonds aannemelijk is dat de schuldenaar uit hoofde van deze tegenvordering ten minste een gelijk bedrag te vorderen heeft als dat van de vordering die aan de faillissementsaanvraag ten grondslag is gelegd, met als gevolg dat van het bestaan van die laatste vordering dan niet summierlijk is gebleken.

Aantekening verdient dat ook de aard van de procedure betreffende een verzoek tot faillietverklaring meebrengt, dat daarin niet aan de orde kan komen of de tegenvordering “spoedig en op eenvoudige wijze in rechte kan worden vastgesteld”

Het voorgaande brengt mee dat het Hof zich terecht heeft beperkt tot het onderzoek of reeds aanstonds voldoende aannemelijk was of de door Planex ingeroepen tegenvordering op voormelde voet een afdoende afweer opleverde

NB: In deze procedure is niet uitdrukkelijk een beroep gedaan op een verbod van verrekening zoals is vermeld in het huurcontract tussen Roham en planex. Was dat wel gebeurd, dan zou waarschijnlijk het faillissement zijn uitgesproken

Offermans – Lucassen. HR 22-07-1988. NJ 1988, 912

Arrest: Offermans/Lucassen

Onderwerp: De faillietverklaring

Inzake: Is slechts één schuldeiser genoeg om een faillissement uit te spreken?

Vindplaats: HR 22-07-1988. NJ 1988, 912

Rechtsvraag: Kan een schuldenaar failliet worden verklaard als is gebleken dat slechts één schuldeiser onbetaald is gebleven? Is er voldaan aan het criterium “opgehouden te betalen” in de zin van art. 1 lid 1 F als er slechts één schuldeiser is?

Hoge Raad: Voor zover de subonderdelen ten betoge strekken dat ook bij het onvoldaan laten van slechts één schuldeiser een schuldenaar kan verkeren in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen in de zin van art. 1 lid 1 F, falen zij. In het stelsel van de Faillissementswet beoogt immers het faillissement verdeling door de curator van het vermogen van de schuldenaar onder diens gezamenlijke schuldeisers. Dat brengt mee dat voor faillietverklaring geen plaats is ten aanzien van een schuldenaar die niet meer dan één schuldeiser heeft.

 

Jennissen – Thebrath HR 07-02-1958. NJ 1958, 202 De faillietverklaring

Arrest: Jennissen / Thebrath
Vindplaats: HR 07-02-1958. NJ 1958, 202

Onderwerp: De faillietverklaring

Rechtsvraag: Kan een faillissement worden vernietigd in hoger beroep na intrekken van de aanvraag hiervan door de schuldeiser?

Als degene die het faillissement van de schuldenaar heeft aangevraagd in HB zijn aanvrage intrekt, leidt dat dan tot vernietiging van de faillietverklaring?

Hoge Raad: Dat de omstandigheid, dat hij op wiens aanvrage de rechtbank het faillissement heeft uitgesproken, in hoger beroep heeft doen verklaren dat hij zijn aanvrage intrekt, op zichzelf niet tot vernietiging van de faillietverklaring kan leiden; dat toch de eis dat de rechtbank de faillietverklaring niet dan op een aanvrage daartoe van een schuldeiser uitspreekt, niet medebrengt, dat indien op die aanvrage de faillietverklaring is gevolgd, de daarmede ingetreden rechtstoestand van faillissement, welke ook de rechtspositie van de andere schuldeisers bepaalt, alsnog ter beschikking zou zijn van den schuldeiser, die hem bevoegdelijk heeft uitgelokt